Psalmen 30:1-12


    Danklied voor genezing
    Een psalm, een lied der inwijding van Davids huis. (30:2) Ik zal U verhogen, Heere, want Gij hebt mij opgetrokken, en mijn vijanden over mij niet verblijd.
    (30:3) Heere, mijn God! ik heb tot U geroepen, en Gij hebt mij genezen.
    (30:4) Heere! Gij hebt mijn ziel uit het graf opgevoerd; Gij hebt mij bij het leven behouden, dat ik in den kuil niet ben nedergedaald.
    (30:5) Psalmzingt den Heere, gij Zijn gunstgenoten! en zegt lof ter gedachtenis Zijner heiligheid.
    (30:6) Want een ogenblik is er in Zijn toorn, maar een leven in Zijn goedgunstigheid; des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich.
    (30:7) Ik zeide wel in mijn voorspoed: Ik zal niet wankelen in eeuwigheid.
    (30:8) Want, Heere! Gij hadt mijn berg door Uw goedgunstigheid vastgezet; maar toen Gij Uw aangezicht verborgt, werd ik verschrikt.
    (30:9) Tot U, Heere! riep ik, en ik smeekte tot den Heere:
    (30:10) Wat gewin is er in mijn bloed, in mijn nederdalen tot de groeve? Zal U het stof loven? Zal het Uw waarheid verkondigen?
    (30:11) Hoor, Heere! en wees mij genadig; Heere! wees mij een Helper.
    (30:12) Gij hebt mij mijn weeklage veranderd in een rei; Gij hebt mijn zak ontbonden, en mij met blijdschap omgord;
    (30:13) Opdat mijn eer U psalmzinge, en niet zwijge. Heere, mijn God! in eeuwigheid zal ik U loven.


Psalmen 31:1-24


    Klachten, gebed en dank
    Een psalm van David, voor den opperzangmeester. (31:2) Op U, o Heere! betrouw ik, laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid; help mij uit door Uw gerechtigheid.
    (31:3) Neig Uw oor tot mij, red mij haastelijk; wees mij tot een sterke Rotssteen, tot een zeer vast Huis, om mij te behouden.
    (31:4) Want Gij zijt mijn Steenrots en mijn Burg; leid mij dan, en voer mij, om Uws Naams wil.
    (31:5) Doe mij uitgaan uit het net, dat zij voor mij verborgen hebben, want Gij zijt mijn Sterkte.
    (31:6) In Uw hand beveel ik mijn geest; Gij hebt mij verlost, Heere, Gij, God der waarheid!
    (31:7) Ik haat degenen, die op valse ijdelheden acht nemen, en ik betrouw op den Heere.
    (31:8) Ik zal mij verheugen en verblijden in Uw goedertierenheid, omdat Gij mijn ellende hebt aangezien, en mijn ziel in benauwdheden gekend;
    (31:9) En mij niet hebt overgeleverd in de hand des vijands; Gij hebt mijn voeten doen staan in de ruimte.
    (31:10) Wees mij genadig, Heere! want mij is bange; van verdriet is doorknaagd mijn oog, mijn ziel en mijn buik.
    (31:11) Want mijn leven is verteerd van droefenis, en mijn jaren van zuchten; mijn kracht is vervallen door mijn ongerechtigheid, en mijn beenderen zijn doorknaagd.
    (31:12) Vanwege al mijn wederpartijders ben ik, ook mijn naburen, grotelijks tot een smaad geworden, en mijn bekenden tot een schrik; die mij op de straten zien, vlieden van mij weg.
    (31:13) Ik ben uit het hart vergeten als een dode; ik ben geworden als een bedorven vat.
    (31:14) Want ik hoorde de naspraak van velen; vreze is van rondom, dewijl zij te zamen tegen mij raadslaan; zij denken mijn ziel te nemen.
    (31:15) Maar ik vertrouw op U, o Heere! Ik zeg: Gij zijt mijn God.
    (31:16) Mijn tijden zijn in Uw hand; red mij van de hand mijner vijanden, en van mijn vervolgers.
    (31:17) Laat Uw aangezicht over Uw knecht lichten; verlos mij door Uw goedertierenheid.
    (31:18) Heere! laat mij niet beschaamd worden, want ik roep U aan; laat de goddelozen beschaamd worden, laat hen zwijgen in het graf.
    (31:19) Laat de valse lippen stom worden, die hard spreken tegen den rechtvaardige, in hoogmoed en verachting.
    (31:20) O, hoe groot is Uw goed, dat Gij weggelegd hebt voor degenen, die U vrezen; dat Gij gewrocht hebt voor degenen, die op U betrouwen, in de tegenwoordigheid der mensenkinderen!
    (31:21) Gij verbergt hen in het verborgene Uws aangezichts voor de hoogmoedigheden des mans; Gij versteekt hen in een hut voor den twist der tongen.
    (31:22) Geloofd zij de Heere, want Hij heeft Zijn goedertierenheid aan mij wonderlijk gemaakt, mij voerende als in een vaste stad.
    (31:23) Ik zeide wel in mijn haasten: Ik ben afgesneden van voor Uw ogen; dan nog hoordet Gij de stem mijner smekingen, als ik tot U riep.
    (31:24) Hebt den Heere lief, gij, al Zijn gunstgenoten! want de Heere behoedt de gelovigen, en vergeldt overvloediglijk dengene, die hoogmoed bedrijft.
    (31:25) Zijt sterk, en Hij zal ulieder hart versterken, allen gij, die op den Heere hoopt!


Psalmen 32:1-11


    Boetpsalm
    Een onderwijzing van David. Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is.
    Welgelukzalig is de mens, dien de Heere de ongerechtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is.
    Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd, in mijn brullen den gansen dag.
    Want Uw hand was dag en nacht zwaar op mij; mijn sap werd veranderd in zomerdroogten. Sela.
    Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zeide: Ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor den Heere; en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde. Sela.
    Hierom zal U ieder heilige aanbidden in vindenstijd; ja, in een overloop van grote wateren zullen zij hem niet aanraken.
    Gij zijt mij een Verberging; Gij behoedt mij voor benauwdheid; Gij omringt mij met vrolijke gezangen van bevrijding. Sela.
    Ik zal u onderwijzen, en u leren van den weg, dien gij gaan zult; Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn.
    Weest niet gelijk een paard, gelijk een muilezel, hetwelk geen verstand heeft, welks muil men breidelt met toom en gebit, opdat het tot u niet genake.
    De goddeloze heeft veel smarten, maar die op den Heere vertrouwt, dien zal de goedertierenheid omringen.
    Verblijdt u in den Heere, en verheugt u, gij rechtvaardigen! en zingt vrolijk, alle gij oprechten van harte!


Psalmen 33:1-22


    Loflied op de almacht en genade van God
    Gij rechtvaardigen! zingt vrolijk in den Heere; lof betaamt den oprechten.
    Looft den Heere met de harp; psalmzingt Hem met de luit, en het tiensnarig instrument.
    Zingt Hem een nieuw lied; speelt wel met vrolijk geschal.
    Want des Heeren woord is recht, en al Zijn werk getrouw.
    Hij heeft gerechtigheid en gericht lief; de aarde is vol van de goedertierenheid des Heeren.
    Door het Woord des Heeren zijn de hemelen gemaakt, en door den Geest Zijns monds al hun heir.
    Hij vergadert de wateren der zee als op een hoop; Hij stelt den afgronden schatkameren.
    Laat de ganse aarde voor den Heere vrezen; laat alle inwoners van de wereld voor Hem schrikken.
    Want Hij spreekt, en het is er; Hij gebiedt, en het staat er.
    De Heere vernietigt den raad der heidenen; Hij breekt de gedachten der volken.
    Maar de raad des Heeren bestaat in eeuwigheid, de gedachten Zijns harten van geslacht tot geslacht.
    Welgelukzalig is het volk, welks God de Heere is; het volk, dat Hij Zich ten erve verkoren heeft.
    De Heere schouwt uit den hemel, en ziet alle mensenkinderen.
    Hij ziet uit van Zijn vaste woonplaats op alle inwoners der aarde.
    Hij formeert hun aller hart; Hij let op al hun werken.
    Een koning wordt niet behouden door een groot heir; een held wordt niet gered door grote kracht;
    Het paard feilt ter overwinning, en bevrijdt niet door zijn grote sterkte.
    Ziet, des Heeren oog is over degenen, die Hem vrezen, op degenen, die op Zijn goedertierenheid hopen.
    Om hun ziel van den dood te redden, en om hen bij het leven te houden in den honger.
    Onze ziel verbeidt den Heere: Hij is onze Hulp en ons Schild.
    Want ons hart is in Hem verblijd, omdat wij op den Naam Zijner heiligheid vertrouwen.
    Uw goedertierenheid, Heere! zij over ons; gelijk als wij op U hopen.


Psalmen 33:1-22


    Loflied op de almacht en genade van God
    Gij rechtvaardigen! zingt vrolijk in den Heere; lof betaamt den oprechten.
    Looft den Heere met de harp; psalmzingt Hem met de luit, en het tiensnarig instrument.
    Zingt Hem een nieuw lied; speelt wel met vrolijk geschal.
    Want des Heeren woord is recht, en al Zijn werk getrouw.
    Hij heeft gerechtigheid en gericht lief; de aarde is vol van de goedertierenheid des Heeren.
    Door het Woord des Heeren zijn de hemelen gemaakt, en door den Geest Zijns monds al hun heir.
    Hij vergadert de wateren der zee als op een hoop; Hij stelt den afgronden schatkameren.
    Laat de ganse aarde voor den Heere vrezen; laat alle inwoners van de wereld voor Hem schrikken.
    Want Hij spreekt, en het is er; Hij gebiedt, en het staat er.
    De Heere vernietigt den raad der heidenen; Hij breekt de gedachten der volken.
    Maar de raad des Heeren bestaat in eeuwigheid, de gedachten Zijns harten van geslacht tot geslacht.
    Welgelukzalig is het volk, welks God de Heere is; het volk, dat Hij Zich ten erve verkoren heeft.
    De Heere schouwt uit den hemel, en ziet alle mensenkinderen.
    Hij ziet uit van Zijn vaste woonplaats op alle inwoners der aarde.
    Hij formeert hun aller hart; Hij let op al hun werken.
    Een koning wordt niet behouden door een groot heir; een held wordt niet gered door grote kracht;
    Het paard feilt ter overwinning, en bevrijdt niet door zijn grote sterkte.
    Ziet, des Heeren oog is over degenen, die Hem vrezen, op degenen, die op Zijn goedertierenheid hopen.
    Om hun ziel van den dood te redden, en om hen bij het leven te houden in den honger.
    Onze ziel verbeidt den Heere: Hij is onze Hulp en ons Schild.
    Want ons hart is in Hem verblijd, omdat wij op den Naam Zijner heiligheid vertrouwen.
    Uw goedertierenheid, Heere! zij over ons; gelijk als wij op U hopen.


Psalmen 34:1-22


    God beschermt de gelovigen
    Een psalm van David, als hij zijn gelaat veranderd had voor het aangezicht van Abimelech, die hem wegjoeg, dat hij doorging. (34:2) Aleph. Ik zal den Heere loven te aller tijd; Zijn lof zal geduriglijk in mijn mond zijn.
    (34:3) Beth. Mijn ziel zal zich beroemen in den Heere; de zachtmoedigen zullen het horen en verblijd zijn.
    (34:4) Gimel. Maakt den Heere met mij groot, en laat ons Zijn Naam samen verhogen.
    (34:5) Daleth. Ik heb den Heere gezocht, en Hij heeft mij geantwoord, en mij uit al mijn vrezen gered.
    (34:6) He. Vau. Zij hebben op Hem gezien, ja, Hem als een waterstroom aangelopen; en hun aangezichten zijn niet schaamrood geworden.
    (34:7) Zain. Deze ellendige riep, en de Heere hoorde; en Hij verloste hem uit al zijn benauwdheden.
    (34:8) Cheth. De Engel des Heeren legert Zich rondom degenen, die Hem vrezen, en rukt hen uit.
    (34:9) Teth. Smaakt en ziet, dat de Heere goed is; welgelukzalig is de man, die op Hem betrouwt.
    (34:10) Jod. Vreest den Heere, gij Zijn heiligen! want die Hem vrezen, hebben geen gebrek.
    (34:11) Caph. De jonge leeuwen lijden armoede, en hongeren; maar die den Heere zoeken, hebben geen gebrek aan enig goed.
    (34:12) Lamed. Komt, gij, kinderen! hoort naar mij! ik zal u des Heeren vreze leren.
    (34:13) Mem. Wie is de man, die lust heeft ten leven, die dagen liefheeft, om het goede te zien?
    (34:14) Nun. Bewaar uw tong van het kwaad, en uw lippen van bedrog te spreken.
    (34:15) Samech. Wijk af van het kwaad, en doe het goede; zoek den vrede, en jaag dien na.
    (34:16) Ain. De ogen des Heeren zijn op de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun geroep.
    (34:17) Pe. Het aangezicht des Heeren is tegen degenen, die kwaad doen, om hun gedachtenis van de aarde uit te roeien.
    (34:18) Tsade. Zij roepen, en de Heere hoort, en Hij redt hen uit al hun benauwdheden.
    (34:19) Koph. De Heere is nabij de gebrokenen van harte, en Hij behoudt de verslagenen van geest.
    (34:20) Resch. Vele zijn de tegenspoeden des rechtvaardigen; maar uit alle die redt hem de Heere.
    (34:21) Schin. Hij bewaart al zijn beenderen; niet een van die wordt gebroken.
    (34:22) Thau. De boosheid zal den goddeloze doden; en die den rechtvaardige haten, zullen schuldig verklaard worden.
    (34:23) De Heere verlost de ziel Zijner knechten; en allen, die op Hem betrouwen, zullen niet schuldig verklaard worden.


Psalmen 35:1-28


    Gebed om hulp voor verlossing
    Een psalm van David. Twist, Heere! met mijn twisters; strijd met mijn bestrijders.
    Grijp het schild en de rondas, en sta op tot mijn hulp.
    En breng de spies voort, en sluit den weg toe, mijn vervolgers tegemoet; zeg tot mijn ziel: Ik ben uw Heil.
    Laat hen beschaamd en te schande worden, die mijn ziel zoeken; laat hen achterwaarts gedreven en schaamrood worden, die kwaad tegen mij bedenken.
    Laat hen worden als kaf voor den wind, en de Engel des Heeren drijve hen weg.
    Hun weg zij duister en gans slibberig; en de Engel des Heeren vervolge hen.
    Want zij hebben zonder oorzaak de groeve van hun net voor mij verborgen; zij hebben zonder oorzaak gegraven voor mijn ziel.
    De verwoesting overkome hem, dat hij het niet wete, en zijn net, dat hij verborgen heeft, vange hemzelven; hij valle daarin met verwoesting.
    Zo zal mijn ziel zich verheugen in den Heere; zij zal vrolijk zijn in Zijn heil.
    Al mijn beenderen zullen zeggen: Heere, wie is U gelijk! U, Die den ellendige redt van dien, die sterker is dan hij, en den ellendige en nooddruftige van zijn berover.
    Wrevelige getuigen staan er op; hetgeen ik niet weet, eisen zij van mij.
    Zij vergelden mij kwaad voor goed, de beroving mijner ziel.
    Mij aangaande daarentegen, als zij krank waren, was een zak mijn kleed; ik kwelde mijn ziel met vasten, en mijn gebed keerde weder in mijn boezem.
    Ik ging steeds, alsof het een vriend, alsof het mij een broeder geweest ware; ik ging gebukt in het zwart, als een, die over zijn moeder treurt.
    Maar als ik hinkte, waren zij verblijd, en verzamelden zich; zij verzamelden zich tot mij als geslagenen, en ik merkte niets; zij scheurden hun klederen, en zwegen niet stil.
    Onder de huichelende spotachtige tafelbroeders knersten zij over mij met hun tanden.
    Heere! hoe lang zult Gij toezien? Breng mijn ziel weder van hunlieder verwoestingen, mijn eenzame van de jonge leeuwen.
    Zo zal ik U loven in de grote gemeente; onder machtig veel volks zal ik U prijzen.
    Laat hen zich niet verblijden over mij, die mij om valse oorzaken vijanden zijn; noch wenken met de ogen, die mij zonder oorzaak haten.
    Want zij spreken niet van vrede, maar zij bedenken bedriegelijke zaken tegen de stillen in het land.
    En zij sperren hun mond wijd op tegen mij; zij zeggen: Ha, ha, ons oog heeft het gezien!
    Heere! Gij hebt het gezien, zwijg niet; Heere! wees niet verre van mij.
    Ontwaak en word wakker tot mijn recht; mijn God en Heere! tot mijn twistzaak.
    Doe mij recht naar Uw gerechtigheid, Heere, mijn God! en laat hen zich over mij niet verblijden.
    Laat hen niet zeggen in hun hart: Heah, onze ziel! laat hen niet zeggen: Wij hebben hem verslonden!
    Laat hen beschaamd en te zamen schaamrood worden, die zich in mijn kwaad verblijden; laat hen met schaamte en schande bekleed worden, die zich tegen mij groot maken.
    Laat hen vrolijk zingen en verblijd zijn, die lust hebben tot mijn gerechtigheid; en laat hen geduriglijk zeggen: Groot gemaakt zij de Heere, Die lust heeft tot den vrede Zijns knechts!
    Zo zal mijn tong vermelden Uw gerechtigheid, en Uw lof den gansen dag.


Psalmen 36:1-12


    Goddeloosheid en de rijkdom van Gods genade
    Een psalm van David, den knecht des Heeren, voor den opperzangmeester. (36:2) De overtreding des goddelozen spreekt in het binnenste van mijn hart: Er is geen vreze Gods voor zijn ogen.
    (36:3) Want hij vleit zichzelven in zijn ogen, als men zijn ongerechtigheid bevindt, die te haten is.
    (36:4) De woorden zijns monds zijn onrecht en bedrog; hij laat na te verstaan tot weldoen.
    (36:5) Hij bedenkt onrecht op zijn leger; hij stelt zich op een weg, die niet goed is; het kwaad verwerpt hij niet.
    (36:6) O Heere! Uw goedertierenheid is tot in de hemelen; Uw waarheid tot de bovenste wolken toe.
    (36:7) Uw gerechtigheid is als de bergen Gods, Uw oordelen zijn een grote afgrond; Heere! Gij behoudt mensen en beesten.
    (36:8) Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid, o God! Dies de mensenkinderen onder de schaduw Uwer vleugelen toevlucht nemen.
    (36:9) Zij worden dronken van de vettigheid Uws huizes; en Gij drenkt hen uit de beek Uwer wellusten.
    (36:10) Want bij U is de fontein des levens; in Uw licht zien wij het licht.
    (36:11) Strek Uw goedertierenheid uit over degenen, die U kennen, en Uw gerechtigheid over de oprechten van hart.
    (36:12) De voet der hovaardigen kome niet over mij, en de hand der goddelozen doe mij niet omzwerven.
    (36:13) Aldaar zijn de werkers der ongerechtigheid gevallen; zij zijn nedergestoten, en kunnen niet weder opstaan.


Psalmen 37:1-40


    Het geluk der goddelozen is schijn
    Een psalm van David. Aleph. Ontsteek u niet over de boosdoeners; benijd hen niet, die onrecht doen.
    Want als gras zullen zij haast worden afgesneden, en als de groene grasscheutjes zullen zij afvallen.
    Beth. Vertrouw op den Heere, en doe het goede; bewoon de aarde, en voed u met getrouwigheid.
    En verlustig u in den Heere, zo zal Hij u geven de begeerten uws harten.
    Gimel. Wentel uw weg op den Heere, en vertrouw op Hem; Hij zal het maken;
    En zal uw gerechtigheid doen voortkomen als het licht, en uw recht als den middag.
    Daleth. Zwijg den Heere, en verbeid Hem; ontsteek u niet over dengene, wiens weg voorspoedig is; over een man, die listige aanslagen uitvoert.
    He. Laat af van toorn, en verlaat de grimmigheid; ontsteek u niet, immers niet, om kwaad te doen.
    Want de boosdoeners zullen uitgeroeid worden, maar die den Heere verwachten, die zullen de aarde erfelijk bezitten.
    Vau. En nog een weinig, en de goddeloze zal er niet zijn; en gij zult acht nemen op zijn plaats, maar hij zal er niet wezen.
    De zachtmoedigen daarentegen zullen de aarde erfelijk bezitten, en zich verlustigen over groten vrede.
    Zain. De goddeloze bedenkt listige aanslagen tegen den rechtvaardige, en hij knerst over hem met zijn tanden.
    De Heere belacht hem, want Hij ziet, dat zijn dag komt.
    Cheth. De goddelozen hebben het zwaard uitgetrokken, en hun boog gespannen, om den ellendige en nooddruftige neder te vellen, om te slachten, die oprecht van weg zijn.
    Maar hun zwaard zal in hunlieder hart gaan; en hun bogen zullen verbroken worden.
    Teth. Het weinige, dat de rechtvaardige heeft, is beter dan de overvloed veler goddelozen.
    Want de armen der goddelozen zullen verbroken worden; maar de Heere ondersteunt de rechtvaardigen.
    Jod. De Heere kent de dagen der oprechten; en hun erfenis zal in eeuwigheid blijven.
    Zij zullen niet beschaamd worden in den kwaden tijd, en in de dagen des hongers zullen zij verzadigd worden.
    Caph. Maar de goddelozen zullen vergaan, en de vijanden des Heeren zullen verdwijnen, als het kostelijkste der lammeren; met den rook zullen zij verdwijnen.
    Lamed. De goddeloze ontleent en geeft niet weder; maar de rechtvaardige ontfermt zich, en geeft.
    Want zijn gezegenden zullen de aarde erfelijk bezitten; maar zijn vervloekten zullen uitgeroeid worden.
    Mem. De gangen deszelven mans worden van den Heere bevestigd; en Hij heeft lust aan zijn weg.
    Als hij valt, zo wordt hij niet weggeworpen, want de Heere ondersteunt zijn hand.
    Nun. Ik ben jong geweest, ook ben ik oud geworden, maar heb niet gezien den rechtvaardige verlaten, noch zijn zaad zoekende brood.
    Den gansen dag ontfermt hij zich, en leent; en zijn zaad is tot zegening.
    Samech. Wijk af van het kwade, en doe het goede, en woon in eeuwigheid.
    Want de Heere heeft het recht lief, en zal Zijn gunstgenoten niet verlaten; in eeuwigheid worden zij bewaard; maar het zaad der goddelozen wordt uitgeroeid.
    De rechtvaardigen zullen de aarde erfelijk bezitten, en in eeuwigheid daarop wonen.
    Pe. De mond des rechtvaardigen vermeldt wijsheid, en zijn tong spreekt het recht.
    De wet zijns Gods is in zijn hart; zijn gangen zullen niet slibberen.
    Tsade. De goddeloze loert op den rechtvaardige, en zoekt hem te doden.
    Maar de Heere laat hem niet in zijn hand; en Hij verdoemt hem niet, als hij geoordeeld wordt.
    Koph. Wacht op den Heere, en houd Zijn weg, en Hij zal u verhogen, om de aarde erfelijk te bezitten; gij zult zien, dat de goddelozen worden uitgeroeid.
    Resch. Ik heb gezien een gewelddrijvenden goddeloze, die zich uitbreidde als een groene inlandse boom.
    Maar hij ging door, en zie, hij was er niet meer; en ik zocht hem, maar hij werd niet gevonden.
    Schin. Let op den vrome, en zie naar den oprechte; want het einde van dien man zal vrede zijn.
    Maar de overtreders worden te zamen verdelgd; het einde der goddelozen wordt uitgeroeid.
    Thau. Doch het heil der rechtvaardigen is van den Heere; hun Sterkte ter tijd van benauwdheid.
    En de Heere zal hen helpen, en zal hen bevrijden; Hij zal ze bevrijden van de goddelozen, en zal ze behouden; want zij betrouwen op Hem.


Psalmen 38:1-22


    Boetpsalm
    Een psalm van David, om te doen gedenken. (38:2) O Heere! straf mij niet in Uw groten toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid.
    (38:3) Want Uw pijlen zijn in mij gedaald, en Uw hand is op mij nedergedaald.
    (38:4) Er is niets geheels in mijn vlees, vanwege Uw gramschap; er is geen vrede in mijn beenderen, vanwege mijn zonde.
    (38:5) Want mijn ongerechtigheden gaan over mijn hoofd; als een zware last zijn zij mij te zwaar geworden.
    (38:6) Mijn etterbuilen stinken, zij zijn vervuild, vanwege mijn dwaasheid.
    (38:7) Ik ben krom geworden, ik ben uitermate zeer nedergebogen; ik ga den gansen dag in het zwart.
    (38:8) Want mijn darmen zijn vol van een verachtelijke plage, en er is niets geheels in mijn vlees.
    (38:9) Ik ben verzwakt, en uitermate zeer verbrijzeld; ik brul van het geruis mijns harten.
    (38:10) Heere! voor U is al mijn begeerte; en mijn zuchten is voor U niet verborgen.
    (38:11) Mijn hart keert om en om, mijn kracht heeft mij verlaten; en het licht mijner ogen, ook zij zelven zijn niet bij mij.
    (38:12) Mijn liefhebbers en mijn vrienden staan van tegenover mijn plage, en mijn nabestaanden staan van verre.
    (38:13) En die mijn ziel zoeken, leggen mij strikken; en die mijn kwaad zoeken, spreken verdervingen, en zij overdenken den gansen dag listen.
    (38:14) Ik daarentegen ben als een dove, ik hoor niet, en als een stomme, die zijn mond niet opendoet.
    (38:15) Ja, ik ben als een man, die niet hoort, en in wiens mond geen tegenredenen zijn.
    (38:16) Want op U, Heere! hoop ik; Gij zult verhoren, Heere, mijn God!
    (38:17) Want ik zeide: Dat zij zich toch over mij niet verblijden! Wanneer mijn voet zou wankelen, zo zouden zij zich tegen mij groot maken.
    (38:18) Want ik ben tot hinken gereed, en mijn smart is steeds voor mij.
    (38:19) Want ik maak U mijn ongerechtigheid bekend, ik ben bekommerd vanwege mijn zonde.
    (38:20) Maar mijn vijanden zijn levende, worden machtig; en die mij om valse oorzaken haten, worden groot.
    (38:21) En die kwaad voor goed vergelden, staan mij tegen, omdat ik het goede najaag.
    (38:22) Verlaat mij niet, o Heere, mijn God! wees niet verre van mij.
    (38:23) Haast U tot mijn hulp, Heere, mijn Heil!


Psalmen 39:1-13


    Troost tegenover de kortheid des levens
    Een psalm van David, voor den opperzangmeester, voor Jeduthun. (39:2) Ik zeide: Ik zal mijn wegen bewaren, dat ik niet zondige met mijn tong; ik zal mijn mond met een breidel bewaren, terwijl de goddeloze nog tegenover mij is.
    (39:3) Ik was verstomd door stilzwijgen, ik zweeg van het goede; maar mijn smart werd verzwaard.
    (39:4) Mijn hart werd heet in mijn binnenste, een vuur ontbrandde in mijn overdenking; toen sprak ik met mijn tong:
    (39:5) Heere! maak mij bekend mijn einde, en welke de mate mijner dagen zij; dat ik wete, hoe vergankelijk ik zij.
    (39:6) Zie, Gij hebt mijn dagen een handbreed gesteld, en mijn leeftijd is als niets voor U; immers is een ieder mens, hoe vast hij staat, enkel ijdelheid. Sela.
    (39:7) Immers wandelt de mens als in een beeld, immers woelen zij ijdellijk; men brengt bijeen, en men weet niet, wie het naar zich nemen zal.
    (39:8) En nu, wat verwacht ik, o Heere! Mijn hoop, die is op U.
    (39:9) Verlos mij van al mijn overtredingen; en stel mij niet tot een smaad des dwazen.
    (39:10) Ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet opendoen, want Gij hebt het gedaan.
    (39:11) Neem Uw plage van op mij weg, ik ben bezweken van de bestrijding Uwer hand.
    (39:12) Kastijdt Gij iemand met straffingen om de ongerechtigheid, zo doet Gij zijn bevalligheid smelten als een mot; immers is een ieder mens ijdelheid. Sela.
    (39:13) Hoor, Heere! mijn gebed, en neem mijn geroep ter ore; zwijg niet tot mijn tranen; want ik ben een vreemdeling bij U, een bijwoner, gelijk al mijn vaders.
    (39:14) Wend U van mij af, dat ik mij verkwikke, eer dat ik heenga, en ik niet meer zij.


Psalmen 40:1-17


    Vertrouwen op Gods genade
    Davids psalm, voor den opperzangmeester. (40:2) Ik heb den Heere lang verwacht; en Hij heeft Zich tot mij geneigd, en mijn geroep gehoord.
    (40:3) En Hij heeft mij uit een ruisenden kuil, uit modderig slijk opgehaald, en heeft mijn voeten op een rotssteen gesteld, Hij heeft mijn gangen vastgemaakt.
    (40:4) En Hij heeft een nieuw lied in mijn mond gegeven, een lofzang onzen Gode; velen zullen het zien, en vrezen, en op den Heere vertrouwen.
    (40:5) Welgelukzalig is de man, die den Heere tot zijn vertrouwen stelt, en niet omziet naar de hovaardigen, en die tot leugen afwijken.
    (40:6) Gij, o Heere, mijn God! hebt Uw wonderen en Uw gedachten aan ons vele gemaakt, men kan ze niet in orde bij U verhalen; zal ik ze verkondigen en uitspreken, zo zijn zij menigvuldiger dan dat ik ze zou kunnen vertellen.
    (40:7) Gij hebt geen lust gehad aan slachtoffer en spijsoffer; Gij hebt mij de oren doorboord; brandoffer en zondoffer hebt Gij niet geeist.
    (40:8) Toen zeide ik: Zie, ik kom; in de rol des boeks is van mij geschreven.
    (40:9) Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden mijns ingewands.
    (40:10) Ik boodschap de gerechtigheid in de grote gemeente; zie, mijn lippen bedwing ik niet; Heere! Gij weet het.
    (40:11) Uw gerechtigheid bedek ik niet in het midden mijns harten; Uw waarheid en Uw heil spreek ik uit; Uw weldadigheid en Uw trouw verheel ik niet in de grote gemeente.
    (40:12) Gij, o Heere! zult Uw barmhartigheden van mij niet onthouden; laat Uw weldadigheid en Uw trouw mij geduriglijk behoeden.
    (40:13) Want kwaden, tot zonder getal toe, hebben mij omgeven; mijn ongerechtigheden hebben mij aangegrepen, dat ik niet heb kunnen zien; zij zijn menigvuldiger dan de haren mijns hoofds, en mijn hart heeft mij verlaten.
    (40:14) Het behage U, Heere! mij te verlossen; Heere! haast U tot mijn hulp.
    (40:15) Laat hen te zamen beschaamd en schaamrood worden, die mijn ziel zoeken, om die te vernielen; laat hen achterwaarts gedreven worden, en te schande worden, die lust hebben aan mijn kwaad.
    (40:16) Laat hen verwoest worden tot loon hunner beschaming, die van mij zeggen: Ha, ha!
    (40:17) Laat in U vrolijk en verblijd zijn allen, die U zoeken; laat de liefhebbers Uws heils geduriglijk zeggen: De Heere zij groot gemaakt!
    (40:18) Ik ben wel ellendig en nooddruftig, maar de Heere denkt aan mij; Gij zijt mijn Hulp en mijn Bevrijder; o mijn God! vertoef niet.
psalm 30=40